Home
Foundation
Events

Summer Sessions
Staff
Press
Articles
Shopping
Gallery
Contact Us



Article

Over talen, vertalingen, appels en peren
Tekst Júlia Abreu de Souza, beeld Neyde Lantyer
Clique aqui para a versão em Português



Bernard Shaw zou bij en zekeren gelegenheid verklaard hebben dat niemand die werkelijk zijn eigen taal beheerst, zich ervoor zou interesseren om andere talen te spreken. Eça de Queiroz, de grote Portugese schrijver, heeft in zijn “Correspondência de Fradique Mendes” vier geestige bladzijden hierover geschreven.
Aan deze meningen zouden wij die van de Braziliaanse journalist, vertaler, toneelschrijver en humorist Millor Fernandes willen toevoegen, die het volgende beweert: Ik heb nooit iemand gezien die twee talen goed sprak. Elke woord, nuance of ritme dat men in de ene taal leert, gaat in de andere verloren. Het goed spreken van een vreemde taal is een bewijs van absoluut gebrek aan karakter.

Dat de Nederlandse taal geen logische, vloeiende taal, althans voor native speakers Portugees is, is een open deur: je moet je tong midden in je mond houden en als een kwade hond grommen om een g te produceren en een rare grijns vetrekken om er een ij uit te krijgen die dan ook nog vaak als een a, ai, ai klinkt. En zelfs, als je het mysterieuze geval van de inversie van de zinnen (morgen ga ik naar het strand i.p.v. de veel ” logischer”: morgen ik ga naar het strand) onder de knie hebt en de duizenden voorvoegsels die de betekenis van een werkwoord veranderen heb geleerd, dan is er nog het hoofdstuk van de verandering van je gedachtewereld, wat noodzakelijk is voor elke poging een taal goed te spreken. Kort en goed, je moet je moedertaal van je afzetten om de nieuwe taal adekwaat te gebruiken. Zo kan geen Nederlander die zich op zijn kennis van de Engelse taal beroemt, en dat zijn er nog al wat, zeggen wat ik bij een zekere gelegenheid gehoord heb: I overdrive voor ik overdrijf en gulp voor gulp.
Voor ons, latinos, die van retoriek en effectvolle zinnen houden, lijkt de Nederlandse taal altijd klaar te staan om ons een koude douche te geven door onze formuleringen en prachtige metaforen ontzettend prozaïsch en triviaal te maken, gewoon, zoals we hier zeggen. Een bekende Braziliaanse politicus in Nederland op bezoek, kon mar niet wennen aan de bondige vertaling van zijn lange uitweidingen over de betalingsbalans en de buitenlandse schuld. Weet u zeker dat die tolk goed vertaalt, vroeg hij voortdurend.
De kracht van de Nederlandse taal ligt o.a. in de talrijke uitdrukkingen die deel uitmaken van het dagelijks spraakgebruik die de taaluitingen opsieren. Daar wordt het ook voor ons ingewikkelder. Bepaalde woorden zijn onvertaalbaar, evenals het universum dat ze inhouden. De veelbezongen en afgekraakte gezelligheid heeft allen in de Nederlands betekenis, pogingen tot vertaling zijn zinloos. Het heeft te maken met tradities en plaatselijke gewoontes, een geheel andere zaak. Maar het woord
trut bijvoorbeeld, hoewel je het niet letterlijk kunt vertalen, is wel herkenbaar. Wat we dan doen is het word gewoonweg verportugezen en het toevoegen aan de typische neologismen van de immigrant. Dinges is een echt truta (lett. forel), elke Portugeessprekende immigrant weet dat je niet de vies bedoelt, iedereen begrijpt het en glimlacht en een blik van verstandhouding.
De gangbare uitdrukkingen, zoals de kastanjes uit het vuur halen, komen zelden uit de mond van de immigrant, zelfs diegene die het Nederlands goed beheersen. Het gebruik van dergelijke gezegdes vereisen niet slechts een zekere verfijning, wat men zich eventueel na enkele jaren zwoegen eigen kan maken, maar ze deel uitmaken van een context die zeer verschilt van de onze, je moet ze van kind af aan gehoord hebben, ermee opgegroeid zijn. Zo kunnen onze pogingen ze te gebruiken zekere hilariteit verwekken, aangezien we ze vaak verkeerd gebruiken en alles door elkaar gooien en zeggen: de trein missen, de kastanjes uit de oven halen, een zuur peer, iemand voor je autootje spannen, enz. Voor ons maakt het niet uit of ze kastanjes of auto’s zeggen, peren of boten. Deze uitdrukkingen hebben geen betekenis, het zijn slechts woorden die men als een papegaai napraat om indrukt te maken, of de inburgeringtoets te behalen. Naar het me voorkomt, bakt men in Brazilië en Portugal geen peren, halt men geen kastanjes uit het vuur en mist men de boot niet. Erger nog is het omgekeerde verschijnsel, namelijk de poging om uitdrukkingen uit de moedertaal naar de nieuwe taal over te brengen. Daar krult de zeug haar start (wringt hem de schoen).
Dat was het geval van een weinig aan de Nederlands taal aangepaste Braziliaanse, die leefde, dacht en sprak uitgaand van haar eigen gedachtewereld. Zij was getrouwd met een aantrekkelijke man en zij kon haar bezitterige jalousie ten aanzien van hem van niemand verbergen. Op een keer toen ze door een strandboulevard liepen, zij altijd gespitst op de blikken die mannen en vrouwen op de jongen wierpen, liet ze zich niet kennen. Toen het zoveelste schepsel openlijk naar haar man keek en lachte, schreeuwde ze over het strand: KIPVROUW! KIPVROUW!
Welnu, kip refereert in nogal vulgair Braziliaanse spraakgebruik aan het promiscue karakter van deze vogel en betekent volgen het woordenboek van ons aller Aurélio Buarque de Holanda (de Braziliaanse van Dale) “vrouw die zich gemakkelijk overgeeft,” die vaak van seksuele partner wisselt.
Niemand sloeg acht op de belediging maar dat kon onze Braziliaanse niet schelen die gedurende jaren haar verhaal herhaalde, triomfantelijke en ervan overtuigd haar ex-toekomstige rivale tenminste verbal te hebben verslagen. Voor haar is een kip een kip, met dezelfde logica als een roos een roos is geen twijfel mogelijk. En door onzekerheid over het geslacht van het word kip, voeg je er “vrouw” aan toe, om mogelijke dubbelzinnigheid te vermijden en de zaak is gesloten. Dit doet mij denken aan de beledigingen die ik bij herhaling te slikken kreeg toe ik tijdens het communistisch tijdperk waagde het Kremlin te betreden in minirok of lange broek, dat weet ik niet meer. “Kapitalist, Kapitalist” riepen ze beledigd me na.
In en toestand van heftige emotie zijn het de primaire structuren die je het eerst te binnen schieten. Jonge baby’s blijken de klanken van hun moedertaal te herkennen, dat is een bekende gegeven. Een taal leren is een rijpingsproces van jaren, net als het leren van een muzikale instrument.Vandaar ook dat het een utopie is te denken dat je een vreemde taal zomaar, via “snelle” of “natuurlijke” methoden goed kunt leren.Ten eerste omdat het taalverwervinsproces vanaf een bepaalde leeftijd kan niet meer natuurlijk zijn.Ten tweede, omdat de emotionele betekenis van de moedertaal niet vervangbaar of voor herhaling vatbaar is, dat heeft te maken met een essentieel psychologische toestand. En daaraan, meen ik, refereren Eça, Shaw en Millor zich die zeker opgetogen zouden zijn geweest over de karaktervastheid van die bewuste Braziliaanse - die ondanks haar jaloezie en haar scheve taalgebruik nog steeds gelukkig schijnt te zijn bij haar mooie Nederlands echtgenoot. En die, God zij dank, geen taaltesten bij de Nederlandse Ambassade moet afleggen.

InTrouw op 23/12/06 gepubliceerd als Vreemdeling koester dat accent!

 

.